Geplaatst door: 
Verhaal

"Wat moet je nou met zon mens?" Honderd jaar zorg in Overijssel

Auteur: 
Martin van der Linde

Een onderwerp wat de druk op het lokale openbaar bestuur de laatste jaren heeft vergroot is de zorg. De bemoeienis van de lokale overheid met de primaire gezondheidszorg is lange tijd vrij weinig geweest. Het ziekenfonds vroeger en de huidige marktwerking in de zorg is iets wat de nationale overheid regelde. Het lokale bestuur heeft echter wel steeds een taak gehad in aan zorg gerelateerde voorzieningen als maatschappelijk werk, gezinsverzorging, bejaardenwerk en andere vormen van maatschappelijke dienstverlening. Was zulke zorg vroeger vaak nog een particulier- of liefdadigheidsinitiatief, tegenwoordig ligt het op het bordje van de gemeentelijke overheid.

Gezondheidscommissies

De stijgende zorgkosten van de afgelopen jaren zijn voor een deel toe te schrijven aan het feit dat we allemaal ouder worden. De overheid is zich de afgelopen 100 jaar steeds meer met de gezondheid van ons als burgers gaan bemoeien. De oorsprong daarvan ligt al bij de invoering van de Gezondheidswet in 1901. Van overheidswege werden er allerlei plaatselijke gezondheidscommissies ingesteld die zich bezig gingen houden met de water- of luchtverontreiniging, volkshuisvesting, hygiëne, besmettelijke ziekten en de controle van levensmiddelen. De commissies tikten gemeenten op de vingers als iets niet goed ging of als een bepaalde situatie verbeterd moest worden.

Zo wist de gezondheidscommissie van Steenwijk, die in de hele Kop van Overijssel opereerde, in 1916 de gemeente Steenwijk er toe te bewegen om een paard aan te schaffen zodat het huisvuil sneller opgehaald zou worden ‘zoodat men in de straten gauwer van den stank verlost zal zijn’. Ook vroeg de gezondheidscommissie aandacht voor de onhygiënische toestand aan het einde van de Nieuwe Onnastraat in Steenwijk. Daar waren woningen gebouwd zonder dat er zorg gedragen was voor een behoorlijke afwatering, waardoor de hele straat bij regenachtig weer veranderde in een modderpoel ‘zoo erg dat de kinderen niet droogvoets in huis konden komen’. De gezondheidscommissie raadde de gemeente aan een wijziging van de Bouwverordening voor te bereiden zodat iedereen die wilde bouwen op een terrein dat nog niet was aangesloten aan het straten- en riolennet, verplicht was de gemeente een vergoeding te betalen voor de aanleg hiervan. Zo niet, dan mocht er geen woning gebouwd worden. Het beleid op de volksgezondheid hing nauw samen met de huisvesting en ruimtelijke ordening van de gemeente.

De plaatselijke gezondheidscommissies werden door sommige gemeenten met argusogen bekeken. De gezondheidscommissie Steenwijk moest in haar jaarverslag van 1916 ‘tot haar leedwezen betuigen dat van de medewerking van het gemeentebestuur van Vollenhove niet veel is gebleken, noch op het gebied der hygiëne, noch op dat der volkshuisvesting, nog bij de naleving van verordeningen.’ Je hebt er altijd lastige klanten tussen zitten.

Rookwedstrijd

De gezondheidscommissies hielden zich eveneens bezig met de handhaving van allerlei verordeningen, waaronder het rookverbod voor kinderen onder de 13 jaar. Kennelijk was er toch al wel een bepaald idee dat roken schadelijk kon zijn, in ieder geval voor kinderen. Toch was het roken een algemeen geaccepteerd verschijnsel in de samenleving. De iets ouderen onder u kunnen zich vast nog wel herinneren dat vroeger met verjaardagen de sigaretten voor de gasten klaarstonden op tafel. In Zwolle werd in 1948 zelfs een serieuze rookwedstrijd gehouden. Het doel was niet om zoveel mogelijk sigaretten of sigaren op te roken, maar om de as van de sigaren zo lang mogelijk te bewaren. Van een rookverbod zoals we die tegenwoordig kennen was toen duidelijk nog geen sprake. 

Geneeskundig schooltoezicht

De gezondheid van de kinderen vroeg ook aandacht van de VNG Overijssel. In de jaren twintig en dertig werd het geneeskundig toezicht op scholen en een schoolartsenregeling veel besproken op de bijeenkomsten van de VNG Overijssel. Bij de invoering van het geneeskundig schooltoezicht kwam de vraag op of dit een taak was van de provincie of van de gemeenten. De VNG Overijssel trad hierbij op als tussenpersoon. De gemeenten wilden de aanstelling van schoolartsen wel regelen, maar had daarbij wel financiële en morele steun nodig van de provincie. Veel plattelandsgemeenten waren op dit punt nogal conservatief, liet het afdelingsbestuur weten. Gedeputeerde Staten overlegde met de VNG Overijssel over allerlei details. Zo moet de schoolarts ‘een sociaal voelend persoon zijn en zich een vriend tonen van de ouders en hun kinderen’.

In deze kwestie was het de taak van de VNG Overijssel om de gemeentebesturen in te lichten over het schoolartsenplan, en die moesten vervolgens weer in overleg met de schoolbesturen. Toen puntje bij paaltje kwam hadden de gemeenten vooral financiële bezwaren. De provincie en het rijk weigerden om structureel bij te springen waardoor van het hele plan uiteindelijk weinig meer is vernomen. Hoewel het dus niet doorging is dit wel een voorbeeld van hoe de VNG Overijssel te werk ging. Ze fungeerde als tussenpersoon en als spreekbuis naar en van de Overijsselse gemeenten. Een belangrijke taak.

Wijkverpleging

Waar de gemeenten vroeger weinig bemoeienis mee hadden, maar tegenwoordig dus wel is de thuiszorg, of de wijkverpleging. Lange tijd was dit een kerkelijk initiatief, zoals de Zusters van Liefde in Zwolle of werd dit geregeld door particuliere kruisverenigingen zoals het Groene Kruis of het Wit-Gele Kruis. Leden van deze kruisverenigingen kregen aanvankelijk bij ziekte wat extra melk, eieren vlees of vis, maar al snel kwam er behoefte aan wijkverpleegkundigen, die bij de kruisverenigingen in dienst kwamen.

In bijna elke plaats in Overijssel (en Nederland) stond wel een gebouw van een bepaalde kruisvereniging. De eerste wijkverpleegkundigen werden door de bevolking nogal raar aangekeken. De vrouwen die altijd gewend waren om hun eigen boontjes te doppen wisten soms niet wat ze met zo'n verpleegster moesten beginnen. Zo hoorde wijkverpleegster Hennie Koppers in Zwartsluis een groepje vrouwen een keer over haar praten: 'Wat moet je nou met zo'n mens? Ze komt je huis binnen, haalt lakens en slopen van je bed, gooit er alles schoon op en dan zit je met de bende.' Toch kwam er al snel waardering voor het werk wat de verpleegsters deden. De wijkzusters hadden vaak een vaste ronde die ze per fiets of later per bromfiets of auto aflegden. De Kruisverenigingen konden soms met hulp van lokale ondernemers een brommer of een auto voor de wijkverpleegster regelen, zoals we hier zien bij het aanbieden van een auto aan de wijkverpleegster in Markelo. 

In de jaren zestig waren er nog 1450 kruisverenigingen in Nederland. Begin jaren tachtig was dit aantal door de ontzuiling al teruggebracht tot ca. 200. In de loop der jaren zijn veel kruisverenigingen gefuseerd met gezinszorginstellingen en opereren ze tegenwoordig onder de naam thuiszorg.

Was de zorg van de wijkverpleegkundigen vroeger alleen nog voorbehouden aan de leden van de kruisverenigingen, vanaf 1995 kan iedereen in Nederland die in aanmerking komt voor thuiszorg hun eigen zorg inkopen met het persoonsgebonden budget. Dit wordt gefinancierd vanuit de AWBZ. Samen met de jeugdzorg, de bijstand, de sociale werkvoorziening en de Wajong is de thuiszorg één van de taken die sinds 2015 bij de gemeenten zijn ondergebracht. Deze overdracht van de rijksoverheid naar de gemeenten heeft grote gevolgen gehad voor de hele organisatie van de zorg en allerlei diensten en voorzieningen eromheen. De overdracht van de zorg van het Rijk naar de gemeenten paste binnen het decentralisatiestreven van de Rijksoverheid. Tegelijkertijd ging het gepaard met flinke bezuinigingen, wat ook past binnen een grotere ontwikkeling. In tijden van voorspoed trekt de Rijksoverheid taken naar zich toe; in tijden van bezuinigingen trekt de Rijksoverheid zich terug en neemt de lokale zelfstandigheid toe.

Reacties